Archief voor de ‘waarom we schrijven’ Categorie
Titus
Ik herinner me wat nu komt. Nu beschrijf ik even de afgelopen maanden in een notendop. Dan kan iedereen weer volgen. Het is een vreemd ritueel. Nu moet ik even mijn hersenpan afschrapen en kijken welke herinneringen naar beneden dwarrelen.
Ik ben afgestudeerd. Dat klinkt mooier dan het is uiteraard. Ik ben afgestudeerd in juni, onderscheiding met een heel hoog cijfer voor mijn thesis. Dat klinkt even mooi als het is. Niet dat ik me nu meteen op de arbeidsmarkt stort. Niet dat er überhaupt een arbeidsmarkt is voor historici. Ik ga er gewoon nog een jaartje bijnemen. Een jaartje dezelfde master als Achmed, die overigens met heel veel glans geslaagd is als politieke wetenschapper. En toen besloten we om onze krachten te bundelen en iets tussen politiek en geschiedenis te nemen. Tot hiertoe bevalt het ons best.
Titus is geboren. In de langste en warmste nacht van het jaar heeft Marieke er een klein wezen uit geperst dat nu al op Julius lijkt. Dat belooft. Ik weet dat meisjes nu een of ander vertederd kreetje verwachten maar de waarheid is dat baby’s me niet zoveel doen. Ik wacht geduldig af tot het wezentje een voetbal kan hanteren. Of beter nog, een kroontjeswipper.
Ik heb de hele zomer in Parijs vertoefd, als loopjongen gewerkt in het bedrijf van Philippe. Goed voor mijn Frans. Goed voor mijn gemoed en al helemaal voor mijn portemonnee. Als iemand ooit een gids zoekt? De stad ken ik onderwijl al helemaal uit mijn broekzak. Haar straten en pleinen en bars en meisjes. Er zijn wat romances geweest maar geen blijvende. Er was een Eveline en een Marthe en een heleboel goeie Franse wijn.
Verder woon ik nog steeds in hetzelfde huis met Achmed en Youri en een Frans meisje dat de kamer van Boris bezet terwijl hij ergens in het warme zuiden op erasmus vertoeft.
Annelies is nog steeds met Mathieu.
Ik denk dat we het voorlopig hierbij kunnen laten. Kan wel tellen qua update. Ik vertrek naar mijn werk. Ergens in café in G. tap ik weer pintjes en schenk ik witte wijn uit aan beeldschone meisjes. Soms schrijven ze hun nummer op een bierkaartje. Soms bel ik hen. Soms is mijn geest troebel en vergeet ik waar ik wakker geworden ben.
Chocolademelk
Ik heb Annelies gevraagd of ze met me naar Parijs wilde gaan.
Ze had net examen gehad en we waren een warme chocolademelk gaan drinken in dat gezellige plaatsje op de hoek. Ze zei dat ze er nog nooit was geweest en dat ze altijd al eens had willen gaan. Haar neus was nog een beetje rood van de kou en onder haar grijze ogen hadden vermoeidheid en stress diepe kringen getekend. Ik had moeite de drang te weerstaan mijn handen op haar bleke wangen te leggen. Ze had nog steeds geen duidelijk antwoord gegeven. Ik zei haar dat mijn broer er woonde en dat we gratis in het huis van hem en zijn vriend konden verblijven. ‘Zijn vriend? Als in zijn lief?’ Ik knikte. Ze keek verrast. Slurpte nog eens van haar chocolademelk. Nog steeds geen antwoord. ‘We kunnen in de lesvrije week gaan.’ Ze slurpte weer en ik voelde mijn berg argumenten slinken.
‘Noah ik kan niet. Ik heb geen geld. Ik moet vanalles doen. Ik moet werken.’
‘Eh. Okee.’
‘Maar ik moet gaan. Ik heb afgesproken met Mathieu over vijf minuten.’
‘Eh. Okee.’
En zo was ik vandaag de verpersoonlijking van de uitdrukking ‘wezenloos achterblijven’. Misschien had ik Barcelona moeten zeggen. Misschien had ik het luchtiger moeten aanpakken. Misschien had ik moeten zwijgen. Misschien.
Ze heeft flauwe uitvluchten. Het is koud. Ik denk aan Dot. Aan Lore. Aan hoe het eeuwen geleden lijkt. Ik denk aan de fles wodka die Boris altijd op zijn kamer heeft en aan hoe ik alles wil vergeten. Ik denk aan hoe lang geleden het is dat ik nog eens aan naakte meisjesrug aanraakte. Maar ik doe niets. Ik zit hier en schrijf.
Het wordt tijd dat ik nog eens naar Julius ga. Mijn meisjesminnende hoofd wat laat rusten. Het wordt tijd dat iemand me goede raad geeft. Het wordt tijd dat Annelies de kamer binnenstormt en me zachtjes kust.
Thuis
Straks komen de meisjes eten. Het is een toffe gewoonte geworden om geregeld in verschillende koten eens samen te eten en daarna een stapje in de wereld te zetten. Vandaag komen Nina, Sofie en Annelies en ook Wolle en Vleugel. Jonas en Karen zitten in een soort crisis verwikkeld waardoor eerst alleen de één ging komen, dan alleen de ander en uiteindelijk niemand. Ik weet er het fijne niet van maar ik weet uit ervaring dat andere mensen kussen terwijl je een relatie hebt meestal niet zo’n schitterend idee is. Vooral niet wanneer je andere mensen laat meegenieten. Zeker niet wanneer die andere mensen je blijken te kennen…
Wij maken het eten, de meisjes brengen dessert mee en Vleugel en Wolle drank. Ideale verdeling zou ik zo zeggen. Achmed heeft voorgesteld om eens Marokkaans te koken. As a matter of fact, hij is al bezig want over enkele ogenblikken komen ze al toe en ik moet de ziekenhuisgeur nog uit mijn leden douchen. Wat ik dus nu ga doen.
Het doet goed om terug te zijn, hier tussen woorden en zinnen op een plaats waar de verteller in mij zich thuis voelt.
Erfenis
Ik las een beetje wat ik hier weken en maanden geleden achterliet. Woorden en zinnen die ik nu misschien niet meer kan produceren. Omdat poëzie niet te koop is en mijn handen niet meer zo soepel zijn als vroeger. Omdat het aantal jaren dat je gezicht bezit stilaan verandert en je ogen donkerder worden. Gespikkeld. Anders dan voorheen. Omdat vrienden komen en aan gaan en Dot nooit meer terugkomt.
Het doet pijn om aan al wie na haar komt de vreselijkste erfenis mee te moeten geven: die van perfectie. Laat ons het erbij houden dat ik in deze stilzwijgende maanden genoeg naamloze subjecten verslonden heb om de leegte in mijn bestaan op te vullen. Zij wílden niet eens wedijveren met wat ik ooit zo roekeloos beminde. Maar nu komt plots het grijze meisje weer terug. Zij die anders was maar nooit genoeg. Zij die misschien wel eens ontzettend veel van me zou kunnen houden.
Ze moet losbreken. Mij aanvallen. Verslinden. En dan zien we wel.
Vooral Annelies
Ik denk dat ik maar weer ga schrijven. Het is allemaal zo lang geleden en het lijkt alsof ik de tijd door mijn handen heb laten glippen. Maar ik leef nog. Ik besta. Ik begin opnieuw beloofd maar geef me nog even tijd.
Dit is een eerste groet aan al wie op mij wacht, aan al wie nog woorden verwacht, maar bovenal aan Annelies, vooral Annelies…
U nog steeds ter dienst staande,
Noah Mesiwa
Update
Ik weet het niet ik ben achtergelaten door de tijd. En telkens als de zomer komt besluipt ze me met al haar vragen en verkeerde antwoorden. Ik kan al zeggen dat Lore en ik nooit samen op reis zijn geweest. Plots moest ze weg. Weg uit haar leven weg uit mijn leven voor ze vertrok vertelde ze nog dat ze ook familie heeft. Ergens in het zuiden ergens in de enige plaats in Spanje waar het vaker dan nodig regent.
Spaanse grootmoeders, het is me wat.
De meisjes en wij gaan straks samen in een busje richting het zuiden van Frankrijk. En we stoppen pas wanneer de zon schijnt en iedereen gelukkig is. Ik heb er net een maand werken op zitten.
Oh ja. Ik heb Dot gezien met haar nieuwe vriend. Ik dacht dat ik flauwviel maar het was enkel in mijn hoofd. Het was onwennig. Hij greep haar hand stevig vast zij was nog steeds zo mooi als toen. Die avond kreeg ik een bericht ‘ik mis je Noah’ en ik dacht alle dichters door elkaar maar begreep het niet.
‘Kom terug.’
Ze antwoordde niet.
Hup.
Ik kwam binnen en ze stond in de keuken. Het rook er naar haar en naar haar kooksels. Ze vroeg of ik meeat. Ik vroeg hoe het nu zat tussen ons. Ze draaide haar hoofd weg van het fornuis en keek me veel te doordringend in de ogen.
“Doet dat er iets toe, Noah?”
Ze zei het rustig en met een lachje om haar mond. Ik wist niet wat te zeggen. Ja dat doet er toe. Natuurlijk! Mensen die in elkaars bed slapen en kussen willen meestal wel weten hoe het zit.
“Eh. Ik weet niet. Ja?”
”Vind je het niet leuk zoals het nu is?”
”Eh. Ja?”
Ze concentreerde zich weer op haar potten en pannen. Op dat moment wist ik dat het niets uit zou halen. Ik trok me terug op mijn kamer en dacht na. Wat wás het uiteindelijk tussen ons? En moest dat per sé gedefinieerd worden? Ik moest ook aan Dot denken en aan hoe ze altijd duidelijk de spelregels voor ogen wilde houden. Aan hoe ik op flagrante wijze verliefd op haar geworden was en hoe ze mijn liefde op flagrante wijze beantwoord had. Dot was praten en uitleggen, begrijpen en vaststellen. Zo was ik het altijd gewoon en zo vond ik het leuk. Het was liefde. En dat was duidelijk.
Maar nu hangt het daar maar een beetje, in de lucht, tussen Lore en mij. Soms denk ik dat het er altijd gehangen heeft, vanaf het eerste moment dat ik haar zag en haar zo verdomd vreemd vond. En dat het gewoon een logisch gevolg is nu. Noah alleen. Lore alleen. Dicht bij elkaar. Examens. Zoeken affectie. Hup.
Maar is het dat wel wat ik wil? Hou ik van haar? En, het belangrijkste, doet het ertoe?
Twee
Zo traag als het wegging, zo snel staat het hier weer terug. Het is moeilijk ervan af te kicken, dat onweerstaanbare gevoel van één en één twee te willen maken.
Ik wist dat de kans bestond dat ze er ook ging zijn en ik wist dat het stom van me was om aan de verleiding toe te geven. Ik had niets meer van Dot gehoord sinds het pijnlijke afscheid en ik begon haar net te vergeten (ik reken ‘niet meer elke dag aan iemand denken’ tot vergeten).
Het was nochtans niet mijn idee. Julius ging met Marieke naar een theaterstuk in A. en omdat hij ziek was geworden, klopte ze gisteravond aan om te vragen – smeken – of ik niet wilde meegaan. Ik besloot mijn werkjes te laten voor wat ze waren en een goede daad te stellen. De gedachte dat Dot misschien ook aanwezig zou zijn verdrong op dat moment al alle andere.
Het was een mooi stuk en Dot zat niet in het publiek. Ze stond niet op het podium. Marieke en ik wandelden naar het station en ik vervloekte mezelf omdat mijn brein in lichterlaaie stond en mijn lijf allerlei uitwegen probeerde te zoeken.
Ik zag het einde van de dag als een razendsnelle film in mijn hoofd afspelen: Ik stapte op de trein, kwam tegen middernacht op mijn kot, zette Radiohead op en probeerde mezelf te verstikken in mijn hoofdkussen.
…
Ik liet Marieke alleen naar G. terugkeren. Uren heb ik door de stad gezworven zonder te weten wie ik wilde of wat ik zocht. Hoeveel keer ben ik het bordje met de o zo verleidelijke naam van Dots straat voorbijgelopen. Hoeveel keer heb ik bij mezelf gezegd dat ik nu wel bij haar moést aanbellen om slaapplaats te vragen omdat ik geen trein terug meer had.
Ze was thuis. Ze was mooi. Ze was alleen. Ze vertelde honderduit en deed alsof er niets aan de hand was. Ze legde haar hand op mijn halsslagader. ‘Je hart klopt zo snel.’
Ik kuste haar.
Ik kuste haar nog eens en nog eens en nog eens tot in het oneindige en we vielen in een diepe, dromerige slaap en ik wist zeker dat ze hetzelfde kon zien als ik. Ik werd wakker met mijn hand op haar buik en haar heupen tegen mijn lenden.
‘Je kunt niet blijven Noah. Ik moet naar de les.’
Dáárom
Ik voel me gewoon gelukkig. Dat is eens iets nieuws.
Toen mijn nieuwe vrienden vorige week hoorden dat ik in een café werkte, waren ze vastbesloten eens langs te komen. Een gedachte als “hell no” kwam meteen in me op maar tegen die drie ben ik niet opgewassen. Veel te snel hadden ze uitgevogeld waar die werkvloer van me zich precies bevond en gisteravond kwamen ze schijnbaar nietsvermoedend binnengewandeld. Drie pintjes was gelukkig de simpelste bestelling van de avond en ze brachten me tegen alle verwachtingen in amper in verlegenheid.
Dit was het verslag geweest van een rustige doch aangename werkavond ware het niet dat De Clan rond halfelf ook besloot de dag in schoonheid bij ons te komen beëindigen. Ze palmden het tafeltje naast dat van mijn vrienden in en kwamen ‘vier-op-en-rij’ vragen en vijf theetjes.
Even later waren de dromerige Olivia en ‘het plaatje’ dat blijkbaar Nina heette het spelletje met de rondjes aan het spelen. De aanmoedigingen van de drie anderen hadden blijkbaar de aandacht van mijn vrienden getrokken want Jonas tikte ‘de knappe’ op de schouder en vroeg of hij tegen de winnaar mocht spelen.
Zo geschiedde het dat mijn vijf meisjes mijn drie vrienden leerden kennen en ik een tikje jaloers van achter de toog toekeek. Zo geschiedde het dat Jonas voor hij vertrok trots een papiertje met het gsm-nummer van ‘de knappe’ onder mijn neus schoof. Zo geschiedde het dat de hele bende afsprak om volgende week dinsdag met z’n allen wat te komen drinken. Wolle was zelfs zo vriendelijk mij ook uit te nodigen.
En nu voel ik me dus gelukkig. Zomaar. Omdat ik dinsdag niet moet werken. Omdat mijn sociaal leven zich stilletjes begint uit te rekken. Omdat ik vanavond met Lore naar de film ga. Omdat ze dat zomaar vroeg alsof het de gewoonste zaak van de wereld was en omdat ik zo gewoon reageerde alsof ik dat de gewoonste zaak van de wereld vond. Dáárom.
Olivia
In het begin besteedde ik geen aandacht aan hen. Ze dronken rode wijn, witte wijn, soms een martini en vaak theetjes of sapjes. Nu kan ik hen niet meer negeren. Ze blijven maar komen! Soms zijn ze met z’n tweeën of drieën maar meestal de verschijnt hele clan.
Ik bestudeer hen nu toch al een week of twee en ik moet bekennen dat ze me intrigeren. Ze zijn niet speciaal mooi of lelijk maar samen vormen ze een plaatje. Eentje ziet eruit als om door een ringetje te halen, van kop tot teen bijeenpassende kleren, schoenen en juweeltjes. Een pareltje. Ze zal vast Lisa heten of Laura en altijd welgemanierd zijn.
Het meisje dat telkens aan de bar komt bestellen ‘ken’ ik het best. Haar gezicht is een open boek en ik kan voor ze haar mond opendoet al zien of ze zich gelukkig voelt of niet. Ik kan het ook horen aan haar stem die al dan niet trilt en zien aan de kleren die ze draagt. (Slobberjeans of kort rokje.) Het derde meisje is de mooiste. Ze ziet er altijd goed uit eigenlijk en ze doet er geen moeite voor. De mannen kijken om naar haar en ze reageert nooit zoals zij zouden willen. Ze is grappig en ik mag haar wel. Dan is er ook nog zij die ik ‘de dromer’ noem. Altijd vergezeld van een wazige blik en dito glimlach. Het lijkt alsof ze in haar eigen wereld leeft en daar perfect gelukkig is.
Mijn absolute favoriet echter – hierop zat u uiteraard te wachten, beste lezer – is het onbestemde meisje. De minst speciale van de vijf. Haar haarkleur houdt het midden tussen blond en bruin en haar lippen twijfelen tussen roze en rood. Haar gezicht is voorzien van grijze ogen en uiterst gelijkmatig. (what the hell is gelijkmatig?). En net daarom verdenk ik haar ervan oneindig interessant te zijn – er moet toch iéts scheef zijn aan dat kind! – Het is de manier waarop ze soms kijkt, waarop ze zwijgt terwijl de rest laaiende discussies voert om dan net op het juiste moment in te vallen. De manier waarop ze elke keer een nieuwe doos koekjes openpeutert. (prinskoeken, boterwafeltjes, pindanoten en m&m’s) De manier waarop ze haar glas omstoot en begint te blozen.
Vandaag speelden ze Trivial Pursuit. Er sneuvelden geen glazen. Er verhuisden geen geïrriteerde mensen naar een verder afgelegen tafeltje. Er werden geen schunnige opmerkingen geworpen richting het vijftal. Ik heb wel één naam opgevangen. De dromer heet Olivia.
Laat een reactie achter
Reactie (1)
Reacties (2)