Archief voor mei 2008 | Maandelijkse archief pagina

Leven

Het is een jaar geleden dat papa gestorven is. Wat is dat toch met datums. Het is 366 dagen geleden dat papa plots een hartaanval kreeg. En waarom moet ik daar nu zomaar aan denken? Wat een vreemd en random getal om pijn naar boven te laten komen. Ik voel het door de kamer wandelen met grote, zware stappen en de grond onder mijn voeten zindert. GEMIS. Noah die vorig jaar al zijn examens verklootte en een maand minder vakantie had. ANGST. En wie heeft godverdomme beslist dat één verdriet-item de deur wagenwijd open moet zetten voor al de rest? Waarom moet ik nu ook nog denken aan Dot die toen uren naast me zat, haar eigen leven achter zich latend alleen maar om mij te troosten?

Ik wil praten met Korneel.

En wat moet ik met Lore aanvangen?

Het komt goed. Ik ga Korneel bellen. Ik ga Lore slaapwel zeggen. Ik ga slapen. Ik ga morgen studeren. Ik ga met Lore op reis. Ik ga leven.

Vanille-ijs

De lucht was zo zwaar dat je hem kon voelen. Alles drukte op mij en mijn schouders en ik smachtte naar de regen omdat alles dan weer rustig zou worden. Mijn haar stond alle kanten op net als mijn gedachten, mijn papieren en mijn meubilair. Alles stond scheef, lag fout, viel om en weigerde zijn of haar gebruikelijke dagtaak uit te voeren. De verwarring was compleet. Ik verre van.

En toen kwam zij. Ze sloop de dag binnen, sloot de deur achter zich en blééf. De hele avond lang. Ze zat bij mij op bed en het enige geluid kwam van onze handen die elk om beurt in de zak Lay’s Ketchup graaiden. De film hadden we allebei al gezien maar het was de enige die in huis was. Het soort film waarvan je niet zomaar weg kunt lopen als hij afgelopen is. Je wil blijven kijken naar de aftiteling, de laatste kruimels uit de al lang lege zak krabben. Je wil het stukje dunne stof van haar truitje tegen je elleboog blijven voelen. Je bent bang om te stilte te doorbreken, het moment kapot te maken, het levende wezen dat zo schaars is deze tijden weg te jagen. En dan zeg je plots: als je wil mag je hier blijven slapen.

Ze rolden uit je mond alsof je ze nooit zelf had uitgesproken, die veel te overmoedige woorden. Je vervloekt jezelf vergeefs. Probeert luchtig te kijken. Te doen alsof je gewoon ‘vond je het mooi’ gezegd had. En dan kijkt ze met die ogen van lichtjaren ver en zegt ‘okee ik ga mijn kussen halen’.

Zo geschiedde het dat Het Meisje Van Hierboven een volledige nacht mijn bed vulde. Dat mijn arm behoedzaam de weg vond naar haar middel. Dat haar haren naar vanille-ijs roken. Dat we tot zonsopgang geen oog dicht konden doen. Dat ik uiteindelijk slaap vond.

Toen ik wakker werd daarnet was ze al weg.

Geen garanties

Ik ben ontslagen. Mijn fout. Ik had op voorhand moeten zeggen dat ik meer dan een maand niet meer kon komen werken. Mooie herinneringen wel aan die groezelige ruimte waar bier gemorst werd, meisjes glimlachten en ik vele nachtelijke uren kon meegenieten van magisch-marginale taferelen.

Gisteren voor het eerst sinds lange tijd nog eens een avond met Julius doorgebracht. Bier vloeide niet zo rijkelijk als anders wegens ‘Noah moet studeren’ maar de match was een thriller en hij juichte net iets meer toen Van der Sar die laatste penalty pakte. Maar de avond was zo (ont)spannend en zinnenverzettend dat voor mijn part Oost-Mongolië de Champions League had mogen winnen. Dit uiteraard, liefste vrouwelijke lezers, geheel terzijde.

- Noah zoekt vergeefs naar interessante nieuwtjes om mee te delen -

Lore beloofde dat ze voor me ging koken vanavond.
Morgen ga ik met Vleugel en Jonas naar de nieuwe Indiana Jones kijken.
Waar blijft de zon?
Ik denk dat ik er nog eens wat pagina’s ga doorjagen.
U hoort later meer. Als er effectief iets gebeurt. Hopelijk. Geen garanties.

Heeft iemand een straf verhaal?

Europa

‘Lukt het niet?’

 

Ze zat naast me aan tafel en lepelde tergend traag frambozenyoghurt uit het potje. Ik zei haar dat ik kwaad was. Kwaad op mezelf omdat ik het allemaal zo lang had laten aanslepen. Kwaad omdat ik uiteindelijk toch verloren had.

 

‘Wat ga je doen deze vakantie?’

 

Ze nam een appel en begon die in stukjes te snijden (‘Ook één?’) Ik antwoordde dat ik het niet wist. Dat mijn geplande droomreis met Dot al lang van de baan was en dat vervanging zich tot nog toe niet had aangediend.

 

‘Ik trek met de rugzak door Europa en zoek iemand die met me mee wil gaan.’

 

Ik keek naar buiten en de lucht klaarde op. Mijn leven kreeg plots weer vaste vorm en ik kreeg zin om op te springen, kilo’s spaghetti te maken en door de open ramen te schreeuwen. Ik zei echter gewoon: ‘Oh, zou ik wel leuk vinden, wanneer vertrek je?’

 

Ik zie het al helemaal voor me, Lore en ik, slapend op de trein, picknickend onder de sterrenhemel, goedkope chips kopend in groezelige supermarkten, muggen doodkloppend vanonder hetzelfde tentzeil.

 

Nu moet ik vooral mijn cursussen voor me zien. Verbaast het u dat dat moeilijk lukt?

Zomaar.

Zo heet als het gisteren was, zo koud is het vandaag. De stad praat niet terug en helden sterven bij bosjes. De pak frieten smaakt me niet. Nog duizend woorden. En dan slapen. Misschien moet ik vragen of Lore naast me komt liggen. Zomaar. Omdat dat warmer is.

Kort

We zijn gaan eten met mama. Korneel was gekomen vanuit Parijs. Hij rijdt nu met een rood coltje en het is grappig om te zien. Straks gaan we naar de zee. Vanavond moet hij terug. Hij is nog steeds samen met Philippe. Misschien blijft het deze keer wel. Ik ben een beetje kort van stof. Ik heb misschien te lang in de zon gezeten.

Wil iemand me even zeggen dat ik dringend moet beginnen leren?

Wezenloos

Ik vraag me af. Ben ik werkelijk ontspoord omdat ik oude verhalen vergeefs probeer te overschrijven met nieuwe? Omdat ik personages probeer te wissen, te veranderen, te vergeten? Maar wie weet godverdomme hoe het voelt om nog één keer met haar in mijn armen te liggen. Om in gestolen tijd haar lippen te voelen, haar huid te kussen, haar haren te strelen. Dit is de weerwolf nukkend bij nachte. Huilend naar de maan. Oude geliefden verscheurend. Wezenloos weer mens wordend.

Ik vraag me af wanneer de woorden zullen staken.

Ik vraag me af of zij nu slaapt, en hoe, en waar.

Strak plan.

Het was even heet als nu terwijl ik dit schrijf. Of misschien iets minder, want het was al later op de avond. Plaats van het delict was ergens aan de waterkant en medeplichtigen drie jongens en vijf meisjes. En eindelijk leerde ik de objecten van mijn observatie kennen. Er was Olivia, en Nina maar ook Sofie, de ‘bestelster’ en Annelies, ‘het grijze meisje’. Jonas kwam samen aan met Karen, de knappe. Die hadden er duidelijk geen gras over laten groeien. Hij glunderde en zij had iets triomfantelijks, alsof ze eindelijk aan alle begerige mannen kon tonen dat ze ‘off the market’ was.

Ik dacht aan Dot. Aan hoe ze zomaar verder kon gaan. Aan hoe ze het normaal vond om samen te slapen en apart op te staan. Aan hoe ik wezenloos op de trein stapte en bijna stikte tussen mensen en zware lucht.

‘Waaraan denk je?’

Het was Annelies. Ze zei het zachtjes in mijn linkeroor terwijl de rest een discussie voerde over de voor- en nadelen van witte kledingstukken. Ik voelde me betrapt en was blij dat de warmte mijn ongetwijfeld blozende gezicht kon verklaren.

‘Ik euh…’

‘Je moet het niet zeggen hoor.’

Een fles jenever ging rond. Ik paste. Het is nooit echt mijn ding geweest. De meisjes hadden ook nog chips en fruitsap meegebracht. En een blok kaas waar ze picknickgewijs blokjes afsneden. Het was een schitterende avond. De gesprekken waren wat men noemt levendig en het gezelschap meer dan aangenaam. Sofie begon de verzen die op de binnenkant van de oevers gedrukt stonden op dramatische wijze te reciteren, Nina vertelde (dat had ik nu écht niet van zo’n poppetje verwacht) een mop waardoor we vijf minuten strijk lagen en de blik van Olivia gleed over de andere aanwezigen.

Ik zei niet veel maar ook niet te weinig. Ik was aanwezig maar niet té.

Er kwamen vragenrondes. Wat we studeerden? Geschiedenis. Oh niet bepaald wat ze verwacht hadden. En zij? Geneeskunde. Farmacie. Tweede jaar. Sofie nog een stukje in het eerste jaar. Nina allemaal zestienen. We kwamen het allemaal te weten. Of ze vriendjes hadden? Karen begon te lachen. Zij deed daar niet aan mee, waarop ze Jonas een stomp gaf en er al lachend aan toevoegde dat hij niet te veel hoefde te verwachten. Hij incasseerde alles nog steeds glunderend. Sofie loste enkel dat ze ‘er mee bezig was’ waarop Nina lachend: ‘altijd maar versieren’. Olivia had blijkbaar een vriendje dat ‘altijd op blote voeten loopt’ en ‘vegetarisch eet’ en blijkbaar een bron van algemene hilariteit was. ‘En jullie?’ Allemaal vrijgezel. Behalve Jonas.

Het duurde een uurtje en toen gleed Dot naar de achtergrond en wij zochten een cafeetje alwaar we ons op zware bieren stortten en zij het op een sangria hielden. Ik ben een beetje vergeten waarover we het toen allemaal hadden. Er werd veel gelachen. Nina gaf nog wat moppen ten beste, Karen vertelde een stoer verhaal over binnendringen en net niet betrapt worden en het vriendje van Olivia kwam ons vervoegen. Hij maakte de verwachtingen volledig waar. Annelies zat nu tegenover me en ik zag haar kijken zoals ik zelf ook vaak kijk: overwegend, zich dingen afvragend, misschien een tikje dronken ook. Ze had grote ogen. Er ging een blad door met onze e-mailadressen. Jonas kuste Karen. Zij vond dat iets voor buiten maar wilde binnen blijven. Wolle probeerde indruk te maken op Sofie maar zij scheen het meer voor Vleugel te hebben. Die laatste had zijn baard laten staan en zag er meteen een stuk beter uit.

Jonas belde net. Of ik ook niet naar de waterkant kom. Karen is er ook. En Wolle. En Sofie. Hier binnen denk ik toch alleen aan Dot. Laat ik maar gaan. Ja dat doe ik. Maar ik maak het niet te laat. Strak plan.

Een snelle lezer weet waar ik nu naartoe ga en kan me komen zoeken. Dat vind ik een mooie toegeving. Weg mysterie!

Twee

Zo traag als het wegging, zo snel staat het hier weer terug. Het is moeilijk ervan af te kicken, dat onweerstaanbare gevoel van één en één twee te willen maken.

Ik wist dat de kans bestond dat ze er ook ging zijn en ik wist dat het stom van me was om aan de verleiding toe te geven. Ik had niets meer van Dot gehoord sinds het pijnlijke afscheid en ik begon haar net te vergeten (ik reken ‘niet meer elke dag aan iemand denken’ tot vergeten).

Het was nochtans niet mijn idee. Julius ging met Marieke naar een theaterstuk in A. en omdat hij ziek was geworden, klopte ze gisteravond aan om te vragen – smeken – of ik niet wilde meegaan. Ik besloot mijn werkjes te laten voor wat ze waren en een goede daad te stellen. De gedachte dat Dot misschien ook aanwezig zou zijn verdrong op dat moment al alle andere.

Het was een mooi stuk en Dot zat niet in het publiek. Ze stond niet op het podium. Marieke en ik wandelden naar het station en ik vervloekte mezelf omdat mijn brein in lichterlaaie stond en mijn lijf allerlei uitwegen probeerde te zoeken.

Ik zag het einde van de dag als een razendsnelle film in mijn hoofd afspelen: Ik stapte op de trein, kwam tegen middernacht op mijn kot, zette Radiohead op en probeerde mezelf te verstikken in mijn hoofdkussen.

Ik liet Marieke alleen naar G. terugkeren. Uren heb ik door de stad gezworven zonder te weten wie ik wilde of wat ik zocht. Hoeveel keer ben ik het bordje met de o zo verleidelijke naam van Dots straat voorbijgelopen. Hoeveel keer heb ik bij mezelf gezegd dat ik nu wel bij haar moést aanbellen om slaapplaats te vragen omdat ik geen trein terug meer had.

Ze was thuis. Ze was mooi. Ze was alleen. Ze vertelde honderduit en deed alsof er niets aan de hand was. Ze legde haar hand op mijn halsslagader. ‘Je hart klopt zo snel.’

Ik kuste haar.

Ik kuste haar nog eens en nog eens en nog eens tot in het oneindige en we vielen in een diepe, dromerige slaap en ik wist zeker dat ze hetzelfde kon zien als ik. Ik werd wakker met mijn hand op haar buik en haar heupen tegen mijn lenden.

‘Je kunt niet blijven Noah. Ik moet naar de les.’